Tien stellingen over de ruimtelijke ordening
in Nederland anno 2000
door Prof.dr. Th.A.M. Beckers, Raad voor het Landelijk Gebied
gebaseerd op 'Geleid door kwaliteit', interim-advies over landelijke
gebieden, en de 5e Nota Ruimtelijke Ordening ter gelegenheid van de Hollandse
Landdag in de Balie op 19 juni 1999
1. Stad en land kunnen alleen door elkáár
zichzelf zijn
2. Het ruimtelijk beleid is te 'stads'
3. Alle ruimte hééft al
een functie...
4. Nieuwe gebiedscategorieën lossen
niets op, integendeel
5. Losse parels zijn voor de zwijnen
6. Het landelijk gebied kan niet zonder
een (passende) landbouw
7. Het Nederlandse platteland ís
leefbaar
8. Bij onzekerheid over de toekomst past
bescheidenheid in claims
9. Vernieuwing van onderop kan beter
worden benut
10. I.p.v. ruimteverdeling zal kwaliteit
richtinggevend worden
1. Stad en land kunnen alleen door elkáár
zichzelf zijn
Stad en land zijn ruimtelijk, maar óók ecologisch en cultureel
schaaluitersten. Deze uitersten houden samen de schaal als zodánig
in stand: als het 'land' verdwijnt, houdt ook de 'stad' op te bestaan...
Stad en land zijn anders maar toch op elkaar betrokken. Het constructief
vormgeven aan die spanning vormt de uitdaging voor de ruimtelijke ordening
van de toekomst. Stad en land ook in hun directe functioneren van elkaar
afhankelijk. Het land is economisch en bestuurlijk in belangrijke mate
afhankelijk van de stad en de stad ruimtelijk, ecologisch en cultureel
van het land.
Naar boven
2. Het ruimtelijk beleid is te 'stads'
De ruimtelijke planning is 'urbanistisch': sterk georiënteerd op
de behoeften van de stedelijke functies en het landelijke gebied behandelend
als rest- c.q. ontwikkelgebied voor die functies. Daarmee wordt voorbij
gegaan aan de op zichzelf staande waarden en functies van het landelijk
gebied maar óók aan de functie die dit gebied juist voor
de stád heeft als rust- en recreatiegebied, ecologische buffer
en bijzondere productieruimte en meer algemeen als 'het andere', dat wat
de stad mede tot stad maakt.
Deze vooringenomenheid blijkt ook in Startnota voor de 5e Nota RO: 1)
voor het stedelijk gebied wordt ontwerpend, offensief en op basis van
een visie op de gewenste ontwikkelingen gesproken; voor het landelijk
gebied defensief en in termen van problemen, 2) het concept van de 'netwerkstad'
is niet gericht op rol van groene functies in en tussen de kernen en wordt
zo een verstedelijkingsconcept, en 3) het concept van de 'corridor' wordt
offensief en met stedelijke functies ingevuld. De toekomstige ruimtelijke
orde van het landelijk gebied moet mede bepaald worden door de eigen,
interne dynamiek.
Naar boven
3. Alle ruimte hééft al een functie...
De claims op de ruimte nemen in aantal en omvang toe en leiden tot spanningen,
ook binnen het landelijk gebied. Het voldoen aan uitbreidingswensen vanuit
de stad of van landelijke functies ten koste van elkaar door middel van
functiewijziging van gebieden is - doordat alle ruimte ook nu al een functie
hééft - steeds vaker het verschuiven van problemen.
De oplossing zal veeleer gezocht moeten worden in efficiënter ruimtegebruik
(bedrijvigheid, infrastructuur), in meervoudig of multifunctioneel ruimtegebruik
in en buiten de stad, dan wel in sanering en kwaliteitsverbetering (bijvoorbeeld
van de recreatie). Naar analogie van de compacte stad-filosofie moet er
ook een compact platteland-filosofie komen voor de kapitaalsintensieve
functies.
Naar boven
4. Nieuwe gebiedscategorieën lossen niets op,
integendeel
De introductie van 'parels', 'verbetergebieden' en 'basiskwaliteitsgebieden'
voegt - behalve verwarring en irritatie - niets aan het bestaande toe.
Bovendien bestaat het gevaar dat de basiskwaliteitsgebieden het vuilnisvat
van Nederland worden.
Nieuwe categorieën zijn sowieso een probleem: vooral waar de verhouding
tot c.q. de overgang náár de nieuwe situatie - inclusief
financiering en wettelijke bepalingen - niet of slecht is geregeld.
Naar boven
5. Losse parels zijn voor de zwijnen
Landschappen moeten de hoekstenen gaan vormen voor de ruimtelijke orde.
De overgang in het landelijk gebied van een productieve oriëntatie
naar een meer consumptieve, heeft vergaande gevolgen voor de inrichting
en vormgeving van het Hollandse Land. Landschappen staan niet op zichzelf.
Het bijzondere van een landschap bestaat bij de gratie van het contrast
met andere landschappen, de overgangen en de grenzen. Een 'parel' heeft
een zetting nodig en moet zich kunnen onderscheiden van andere stenen
die op zich óók weer een verscheidenheid vormen. Het geheel
is meer dan delen, móet meer zijn dan de delen.
Naar boven
6. Het landelijk gebied kan niet zonder een (passende)
landbouw
In Nederland kan een grondgebonden - al dan niet multifunctionele -
landbouw niet worden gemist: om de openheid en het beheer van een omvangrijk
deel van het landelijk gebied veilig te stellen maar ook om de productie
zelf controleerbaar en maatschappelijk verantwoord te maken.
Een geaccelereerde schaalvergroting van de landbouw is in de Nederlandse
verhoudingen ruimtelijk én maatschappelijk een doodlopend spoor,
dat ook nog eens bedreigend is voor de aanwezige kwaliteiten. Ook marginalisering
van de landbouw vormt geen structurele kwaliteitsbijdrage. Blijven over
het spoor van de gestage groei en het spoor van de bedrijfsverbreding,
die samen de toekomstige beheerdersrol in het productieve deel van het
landelijk gebied moeten vervullen.
Voor niet grondgebonden sectoren als varkens- en pluimveehouderij zal
alleen nog plaats zijn op basis van een 'nieuwe grondgebondenheid', dat
wil zeggen een zodanige ruimtelijke en maatschappelijke inpassing dat
zij ecologisch, ethisch en sociaal aan de omstandigheden ter plaatse zijn
gebonden. De mogelijkheden van gemengde bedrijvigheid moeten daar nadrukkelijk
bij worden betrokken.
Naar boven
7. Het Nederlandse platteland ís leefbaar
Veranderingen in voorzieningenniveau, schaal van processen en werkgelegenheid
doen zich in heel Nederland voor en niet specifiek in het landelijk gebied.
Het leefbaarheids-'probleem' is op het platteland - net als in de stad
- geen algeméén maar een doelgroepenprobleem. Daar ligt
de opgave.
Op het platteland, waar de mobiliteit van de meeste bewoners en ondernemers
mede de óórzaak is van een veranderd patroon en schaalniveau
van voorzieningen, lijkt vooral de geringere mobiliteit van scholieren
en ouderen een knelpunt te zijn. De bestuurlijke en organisatorische schaalvergroting
leidt ertoe dat burgers, boeren en buitenlui op het platteland letterlijk
steeds verder af komen te staan van publieke functies als overheid, onderwijs,
cultuur en gezondheidszorg. Bepaalde groepen zullen die afstand niet zonder
meer kunnen overbruggen. Ook om deze reden is er naast een grote stedenbeleid
een gelijkwaardig plattelandsbeleid noodzakelijk.
Naar boven
8. Bij onzekerheid over de toekomst past bescheidenheid
in claims
De onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling - en dus de echte behoeften
in dat kader - moet worden vertaald in bescheidenheid m.b.t. claims en
reserveringen in de sfeer van ruimtelijk-economische structuur en bebouwing.
Dat geldt eens temeer waar dat - behalve veel geld - veel onvervangbare
landelijke ruimte en kwaliteit kost en er dus zelfs sprake is van dúbbele
kapitaalvernietiging als de féitelijke ontwikkeling afwijkt van
de prognose c.q. het wensbeeld terzake.
Zo ontwikkelen het vliegverkeer en het goederenvervoer per spoor zich
nu anders dan twee jaar geleden nog werd voorspeld (geclaimd?), voorspellingen
op basis waarvan voor het vliegverkeer bijná en voor het spoor
helemáál werd besloten tot mega-investeringen en landschappelijke
offers.
Naar boven
9. Vernieuwing van onderop kan beter worden benut
Het huidige ruimtebeleid voor het landelijk gebied is vooral restrictief
en sturend op wat niét mag. Daardoor wordt het achterliggende dóel
van die aanpak - de nagestreefde kwaliteit - wel eens uit het oog verloren,
met als gevolg dat het innovatievermogen van ondernemers zich richt op
het ontduiken van de regels. Dat innoverend vermogen moet juist worden
benut voor het versterken van de regionale economie én de omgevingskwaliteit.
Dat vergt een wijze van planning en functietoekenning waarbij ondernemers
worden uitgedaagd om een bijdrage te leveren aan de omgevingskwaliteit
en op die basis hun bedrijf mogen uitoefenen. Dit vergt ook enige flexibiliteit
in de regelgeving, in die zin dat zij geen doel op zichzelf vormen en
dat bij toepassing steeds het (kwaliteits)doel voor ogen moet staan.
Naar boven
10. In plaats van ruimteverdeling zal kwaliteit richtinggevend
worden
Een blauwdruk-achtig ruimtelijk beleid stuurt op functies en bestemmingen,
niet op het eigenlijke doel, de kwaliteit. Behalve dat er altijd onzekerheden
zijn over de onderliggende aannames, is het bezwaar van die aanpak dat
zo het middel soms doel wordt. We moeten toe naar een systematiek waarin
de landschappen, met hun mogelijkheden en beperkingen, als uitgangspunt
worden genomen met als dóel de kwaliteit daarvan te versterken.
Die bijdrage aan de kwaliteit is dan bepalend voor de ontwikkelingen dat
wil zeggen: voor het stimuleren, toelaten of saneren ervan. Een basisbenadering
waarbij - binnen bovenregionale grenzen - 'alles mag mits het de aanwezige
kwaliteit versterkt' kan de vernieuwing en versterking van het landelijk
gebied een belangrijke impuls geven.
Naar boven
Naar boven
|