ContactZoek
De raadActueelAdviezen en publicatiesAdviezen in voorbereiding'PersLinks  
AdviesopdrachtUitgangspuntenTaak en werkwijzeSamenstelling RaadAdresColofon  

 

Uitgangspunten van de raad bij het beoordelen
van ontwikkelingen in het landelijk gebied

 



















Kiezen voor verbinding

Nederland: een rijk landelijk gebied

Nederland beschikt in weerwil van zijn kleine oppervlak en dichte bevolking over een indrukwekkend en gevarieerd landelijk gebied. Uit dat gebied putten wij essentiële waarden voor onze gezondheid, sociale samenhang, economie en identiteit. Voor onze gezondheid biedt het landelijk gebied ruimte om te bewegen, te recreëren, natuur te beleven en verantwoord voedsel te produceren. Samen verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van het landelijk gebied bevordert sociale samenhang. Wonen en werken in een aangename leefomgeving is van toenemend economisch belang. Het landschap, de verscheidenheid aan planten en dieren en de zichtbaarheid van onze geschiedenis, vormen het aanzien van ons land, onze identiteit. Deze waarden hebben intrinsieke betekenis en worden bovendien maatschappelijk en economisch benut. Daarbij treden onontkoombaar spanningen op tussen gebruik en verbruik, welzijn en welvaart, belevingswaarde en gebruikswaarde, kwaliteit en geld.

Dreigende nivellering en verschraling

Deze spanningen zijn veelvuldig en divers. Aanleg van woonwijken en industrieterreinen zonder respect voor de omgeving vermindert de kansen om te genieten van landschap, rust en ruimte. De nadruk op lage kosten bij voedselproductie remt de mogelijkheden om op maatschappelijk verantwoorde wijze voedsel te produceren door rekening te houden met leefomgeving en dierenwelzijn. De verschraling van ecologische samenhang door versnippering vormt samen met o.m. vervuiling en een bedreiging voor flora en fauna. Als gevolg van concurrerende maatschappelijke prioriteiten lijken de benodigde investeringen in aanleg en beheer van natuurgebieden moeilijk op te brengen. Ook de mogelijkheden om boeren meer te laten functioneren als beheerders van het cultuurlandschap worden door financiële mogelijkheden, maar ook door Europese concurrentiebepalingen, beperkt. Bouw en wegaanleg tasten de cultuurhistorische en archeologische waarden in het landschap aan en leiden tot landschappelijke nivellering en ‘geheugenverlies’. Ook op nationaal niveau treedt nivellering op, doordat typisch stadse functies als winkelboulevards en transportbedrijven naar het landelijk gebied worden verplaatst. Als dat doorgaat, blijft er van het onderscheid tussen stad en platteland op den duur weinig over. De jeugd van vandaag treft een ruimtelijk verschraald Nederland aan - en accepteert die veelal vanzelfsprekend als leefomgeving, zonder te beseffen welke kwaliteiten mogelijk zijn. Het bieden van die kwaliteiten is onze verantwoordelijkheid.

Opgaven voor de toekomst

De geschetste spanningen worden door stedelingen en plattelanders herkend en erkend. De toekomst van het landelijk gebied is een maatschappelijk issue. Verdere achteruitgang wordt actief bestreden, ontwikkeling van kwaliteit krijgt prioriteit. Maar de stappen van denken naar doen zijn nog wankel en onzeker. De wil is aanwezig maar de praktijk blijkt taai: vermindering van ambitie is verleidelijk. Dit baart de raad zorgen, vooral ook omdat de spanningen in de toekomst zullen toenemen. De behoefte om te bouwen wordt er niet minder op, de internationale economische concurrentie ook niet. Voeg daarbij de klimaatverandering, de dreiging van overstromingen en de noodzaak tot waterberging, en er ontstaat een beeld van niet aflatende onzekerheid en dynamiek. In dat complexe en veranderlijke krachtenveld moeten op veel punten keuzen worden gemaakt - en doorgevoerd. De ontwikkeling van het landelijk gebied moet ‘met beleid’ plaatsvinden, weloverwogen en dus met ruimte voor de samenleving maar onder regie van het openbaar bestuur. Daarbij moet allereerst recht worden gedaan aan ons gezamenlijk belang: dat iedereen, nu en in de toekomst, de waarden van het landelijk gebied ten volle kan beleven.
De raad wil aan de discussie en besluitvorming bijdragen door spanningen zichtbaar te maken en opties om daarmee om te gaan, in debat te brengen. Daarbij kiest de raad ook zelf positie. De dertien onderstaande uitgangspunten geven aan over welke thema’s de raad debat nodig vindt en vanuit welk uitgangspunt de raad de daarmee verbonden spanningen benadert. Voor elk thema blijkt 'verbinding' de rode draad.

1. Landelijk gebied beschikbaar maken voor iedereen

Het landelijk gebied is voor alle Nederlanders belangrijk, direct of indirect. Voor sommigen vervult het specifieke en dagelijkse functies als inkomen verwerven, wonen of natuur beleven. Voor anderen speelt het platteland een rol als incidenteel decor of voedselleverancier op afstand. Steeds zijn zowel private als publieke belangen in het geding.Het landelijk gebied is een toernooiveld met vele partijen. Die partijen hebben uiteenlopende posities als grondeigenaar, exploitant en recreant. Soms vinden ze elkaar op gemeenschappelijke belangen, soms bestrijden ze elkaar omdat hun belangen botsen. Gemeenschappelijkheid en strijdigheid kunnen variëren al naar gelang het perspectief van plaats en tijd. Zo is het kortetermijnbelang van recreatieondernemers anders dan hun langetermijnbelang: directe winstgevendheid versus investeringen in omgevingskwaliteit. Vaak vallen langetermijnbelangen van verschillende partijen samen. Daar ligt de basis om het gemeenschappelijk doel - een duurzaam en aantrekkelijk landelijk gebied - met elkaar te realiseren. Maar niet alles kan met alles worden verenigd; er zijn ook keuzen nodig. Deze keuzen moeten worden gemaakt vanuit het belang dat het landelijk gebied heeft voor alle Nederlanders.
Discussies bij dit thema gaan over aanpassingen in privaat grondgebruik ten behoeve van publieke belangen. Daarbij is vooral de motivatie voor die aanpassingen in het geding, evenals de mate van aanpassing en de aard ervan.
Voor de raad is uitgangspunt dat het landelijk gebied in de eerste plaats de publieke belangen van alle Nederlanders dient, dominantie van deelbelangen moet worden voorkomen.

2. Verscheidenheid als kapitaal benutten

Het landelijk gebied heeft verscheidenheid als een centrale waarde. Nederland herbergt op zijn kleine grondgebied een unieke verscheidenheid aan landschappen, natuur, activiteiten en cultuur. Deze verscheidenheid biedt een waaier aan waarden die wij kunnen beleven via wonen, recreëren, voedselproductie en andere activiteiten. Met onze sociale en economische activiteiten voegen wij ook weer verscheidenheid toe in het landelijk gebied. Landschappelijke verscheidenheid - die grotendeels door menselijk ingrijpen tot stand is gebracht en in stand wordt gehouden - is kenmerkend op alle schaalniveaus: van het boerenbedrijf met erf, akkers, weiland en houtwallen tot het nationale niveau met de afwisseling van wijde polders, bosgebieden en coulisselandschappen. Waarden zijn niet alleen verbonden met de diversiteit aan verschijningsvormen van het landelijk gebied, maar ook met de bewoners, hun activiteiten en de gevolgen daarvan voor landschap, milieu, cultuurhistorie en dierenwelzijn. Deze waarden zijn deels tijdgebonden: volgende generaties zullen wellicht kenmerken van het landelijk gebied waarderen die wij nog niet herkennen. Het in stand houden van bestaande verscheidenheid voorkomt dat kenmerken verdwijnen die voor de toekomst belangrijk zijn. De verscheidenheid van het landelijk gebied maakt het mensen mogelijk uiteenlopende levensstijlen te beoefenen. De waarde van een gevarieerd landelijk gebied wordt dan ook door iedereen erkend als onmisbaar voor de samenleving.
Discussies bij dit thema gaan over de waardering van de aanwezige en zich ontwikkelende verscheidenheid door de verschillende partijen die belang hebben bij het landelijk gebied. Belangrijke vraag is daarbij op welke manier we die waarden maatschappelijk kunnen benutten zonder dat de verscheidenheid wordt aangetast.
Voor de raad is uitgangspunt dat de landschappelijke verscheidenheid van Nederland niet wordt verbruikt, maar als kapitaal wordt gezien en benut.

3. Stad en platteland blijvend verbinden

Het landelijk gebied en de stad zijn evenwaardige partners. Het landelijk gebied verschilt van de stad én vult deze aan. De manier waarop varieert sterk. In de verstedelijkte delen van Nederland, zoals de Randstad en de regio Arnhem/Nijmegen, is het landelijk gebied het park van de stad. De stadsbewoners zien het metropolitane gebied met groene uitloopgebieden als één geheel. Voor de bewoners van de landelijke delen van Nederland is de stad het winkelcentrum van het landelijk gebied. Het platteland bepaalt de sfeer - de stad vult aan met woongelegenheid en werk. Plattelandsbewoners zien het landelijk gebied met de woonkernen als één geheel. In zowel de hoogstedelijke als de landelijke gebieden heeft de stad het landelijk gebied harder nodig dan andersom. Bijna alle stedelijke functies zijn tegenwoordig ook in het landelijk gebied te vinden, zij het vaak in aangepaste vorm. Andersom is dat niet zo. Verder vormt het groene ommeland een van de pijlers van de stedelijke economie, nu de kwaliteit van de woon-, werk- en recreatieomgeving een doorslaggevende vestigingsfactor wordt. Deze economische betekenis wordt uitgeoefend 'over de band van' de culturele eigenheid van stad en land. Nederland is immers bij uitstek een cultuurlandschap. Dit betekent ook dat cultuurveranderingen leiden tot veranderingen in het aanzien en gebruik van de ruimte. Waar boeren wijken voor buitenlui, maken bijvoorbeeld koeienweiden plaats voor paardenweiden. De culturele bepaaldheid van de relatie tussen stad en platteland kan er ook toe leiden dat zij juist uit elkaar worden gedreven. Voor veel stadse jongeren en mensen met een andere culturele achtergrond vormt het platteland een onbekende, verre plek. Het bijeenhouden van stad en platteland vormt dan ook een blijvende
culturele opgave.
Discussies bij dit thema gaan over de vraag of stad en platteland op een goede manier verbonden zijn en hoe we moeten inspelen op autonome ontwikkelingen in zowel stad als land die deze verbinding kunnen aantasten.
Voor de raad is uitgangspunt dat de ontwikkeling van het platteland niet los te zien is van de ontwikkeling van de stad en dus altijd een verbinding heeft met stedelijke functies.

4. Dynamiek stimuleren in het landelijk gebied

Het landelijk gebied heeft dynamiek nodig om op lange termijn zijn waarde vast te houden en van een blijvende maatschappelijke basis te voorzien, én om nieuwe waarden te ontwikkelen. Dat betekent vasthouden én veranderen. We moeten remmen waar nodig en ontwikkelen waar mogelijk: 'behoud door ontwikkeling'. De relatie tussen mensen en hun directe omgeving kan de vorm hebben van verzorgen en verzekeren, en van verbinden en verheffen. De waarden van het landelijk gebied moeten worden verzorgd en zeker gesteld met het oog op de beleving van bewoners en bezoekers. Daarnaast is verbinden en verheffen vernieuwing) nodig om eigentijdse vormen van wonen, werken en recreëren mogelijk te maken. Dat vraagt dynamiek. Blijvende dynamiek, vanwege processen als demografische krimp en klimaatverandering, maar ook vanwege veranderingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU. Een balans tussen bestaande waarden en dynamiek is nodig, waarbij waardeontwikkeling en economische dynamiek met elkaar verbonden zijn. Maar dat is niet voor alle waarden mogelijk. Ook hier zijn keuzen nodig.
Discussies bij dit thema gaan over de vraag welk soort dynamiek in het landelijk gebied past, en in welke mate deze dynamiek - eenmaal 'toegelaten' - ook in de toekomst kan worden beheerst.
Voor de raad is het krachtig stimuleren van dynamiek en ontwikkeling in het landelijk gebied uitgangspunt, en niet het streven naar consolidatie.

5. Economische basis verbreden

Het landelijk gebied kan alleen floreren als de diversiteit aan economische dragers toeneemt. Grondgebonden landbouw is niet meer in staat om op eigen kracht het landelijk gebied te dragen. Andere economische dragers - verbonden dan wel los staand van de landbouw - winnen aan belang. Deze nieuwe dragers vinden hun basis in de ‘verdienstelijking’ van het landelijk gebied: ze voorzien in recreatie, zorg, landschapsonderhoud, huisvesting van congressen, waterretentie en windenergie. Ook natuur als grondgebruiksvorm levert het bedrijfsleven inkomsten op via omzet uit recreatie, wonen en - door een natuurlijk streekimago - toegevoegde waarde van streekproducten. Bewoners genereren inkomen via een hogere woningwaarde. Deze economische transitie van het landelijk gebied is onvermijdelijk en vergt begeleiding om de landelijke waarden niet te verbruiken maar duurzaam te gebruiken. Dat is alleen mogelijk als de nieuwe economische dragers op enigerlei wijze verbonden zijn met het grondgebruik dat kenmerkend is voor het landelijk gebied: landbouw, natuur en water. Kennis en opleiding, innovatie en plattelandondernemerschap zijn de sleutels voor een brede economische basis.
Discussies bij dit thema gaan over de balans tussen belevingswaarde en gebruikswaarde en over de randvoorwaarden die aan nieuwe economische dragers moeten worden gesteld om waarden te behouden en ontwikkelen. Ook wordt discussie gevoerd over de onderhoudskosten van het landelijk gebied: wat kan privaat en wat moet publiek worden gefinancierd?
Voor de raad is uitgangspunt dat een nieuwe economische basis voor het landelijk gebied om nieuwe combinaties van functies en activiteiten vraagt, waarbij steeds een verbinding wordt gezocht met landbouw, natuur en water.

6. Voedselkwaliteit en -zekerheid voor de lange termijn verzekeren

Voedselkwaliteit en voedselzekerheid zijn niet vanzelfsprekend. De verantwoordelijkheid daarvoor moet worden zeker gesteld op nationale, Europese en mondiale schaal. Duurzame voedselproductie moet voldoen aan hoge kwaliteitseisen op gebieden als voedselveiligheid, dierenwelzijn, verantwoorde methoden van productie, verwerking en verkoop, en verantwoord ketenbeheer, zowel voor landbouwproducten als visserijproducten. Op punten als voedselveiligheid en milieu gaat het om wettelijke eisen. Daarnaast gaat het om eisen vanuit de markt, waarin de voorkeuren van consumenten naar voren komen. Deze voorkeuren zijn de neerslag van uiteenlopende en veranderlijke maatschappelijke opvattingen en zijn daardoor divers en dynamisch. De combinatie van wettelijke en markteisen vergt ruimte voor dynamiek en maatwerk in plaats van uniformiteit. Ook voedselzekerheid blijft belangrijk. De mondiale schaal van productieketens staat op gespannen voet met het streven naar voedselzekerheid.
Discussies bij dit thema gaan over verschillende vragen. Welke kwaliteiten wil de burger en hoe kunnen die op de meest economische manier worden gerealiseerd? Op welke manier kunnen de kwaliteiten, bijvoorbeeld op het terrein van dierenwelzijn, zichtbaar worden gemaakt voor de consument? Welke rolverdeling tussen overheid en bedrijfsleven verdient de voorkeur? Hoe moeten we omgaan met het spanningsveld tussen de gewenste diversiteit
aan kwaliteiten en de behoefte aan toezicht vanuit de overheid, bijvoorbeeld ten aanzien van voedselveiligheid? Bij voedselzekerheid speelt de vraag welke zekerheid wenselijk én mogelijk is, en in welke mate daarvoor ruimte moet worden gemaakt binnen het landelijk gebied.
Voor de raad is gegeven enkele harde randvoorwaarden en minimumeisen zoveel mogelijk ruimte geven voor diversiteit, dynamiek en maatwerk in voedselkwaliteit uitgangspunt.

7. Natuur op ambitieuze wijze versterken

De maatschappelijke betekenis en de intrinsieke waarde van natuur worden nog onvoldoende erkend. Natuur vormt de basis, het fundament en het substraat van en voor alles wat leeft. Natuur is een waarde, geen functie. Natuur is belangrijk voor gezondheid, beleving, identiteit en economie. Investeringen in natuur worden maatschappelijk ruimschoots terugverdiend. De baten komen echter lang niet altijd terecht bij de partijen die de kosten dragen. Daardoor vindt de financiering van natuur grotendeels plaats uit de collectieve middelen. Ontwikkeling van kennis over de maatschappelijke en economische betekenis van natuur is van belang voor de financiële basis onder het natuurbeheer. Om de maatschappelijke betekenis én onze verantwoordelijkheid voor flora, fauna en natuurgebieden waar te maken, is herstel en ontwikkeling van natuur nodig. Nederland moet deze verantwoordelijkheid zowel in eigen land als op Europese en mondiale schaal vorm geven. Internationale inbedding is onder andere nodig om de gevolgen van klimaatverandering te kunnen opvangen. Alleen op deze manier kan bijvoorbeeld de overleving van flora en fauna worden gegarandeerd als verspreidingsgebieden gaan verschuiven ten gevolge van verschuivende klimaatgordels.
Discussies bij dit thema gaan over de vraag hoe de maatschappelijke betekenis van natuur verder kan worden benut, welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen en wat daarbij de beste rolverdeling is tussen Nederland en Europa. Andere discussieonderwerpen zijn de verevening van kosten en baten van natuurbeheer, de acceptatie op lokaal niveau van nationaal natuurbeleid en de communicatie over het natuurbeleid.
Voor de raad is uitgangspunt de ambitieuze, duurzame instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden, flora en fauna, gebaseerd op zowel de maatschappelijke betekenis als de intrinsieke waarde.

8. Vermaatschappelijking van landbouw stimuleren waar het kan

Een duurzame, krachtige en economisch weerbare landbouw is nodig voor de economie van Nederland én is een essentiële functie voor het landelijk gebied. Wel zal deze landbouw binnen maatschappelijke randvoorwaarden moeten functioneren om een licence to produce te behouden. Dat geldt zowel voor de traditionele grondgebonden landbouw als voor glastuinbouw en intensieve veehouderij. De randvoorwaarden kunnen betrekking hebben op landschap, dierenwelzijn, milieu en voedselkwaliteit. Ook veranderen zij in de tijd. Zo krijgt 'voedselkwaliteit' een steeds grotere reikwijdte. Het gaat daarbij niet meer alleen om smaak en veiligheid, maar ook om duurzaamheid van productie. Door de concurrentie op wereldschaal speelt kostprijsreductie een hoofdrol bij de ontwikkelingen in landbouwkundige voortbrenging. Tegelijk staat het maatschappelijk draagvlak voor verdere agrarische industrialisatie en schaalvergroting onder druk, ondanks de economische voordelen ervan. Grenzen zullen hier worden gesteld door maatschappelijke wensen, niet door technologische beperkingen. Niet alles wat kan, mag. Kennis uit praktijk en onderzoek, vanouds beslissend voor agrarische ontwikkeling, ontwikkelde zich tot nu toe vooral binnen de landbouwsector zelf. De vermaatschappelijking van de landbouw vraagt meer verbinding tussen kennis, onderwijs en onderzoek uit de groene sector en andere sectoren.
Discussies bij dit thema gaan over de vraag op welke manier autonome ontwikkelingen in de landbouw kunnen worden verenigd met ethische, landschappelijke en economische wensen. Hoe kun je aan maatschappelijke voorkeuren voldoen én ruimte bieden aan economisch en technologisch gedreven ontwikkelingen? En in welke mate blijft de overheid - bijvoorbeeld via inkomenstoeslagen en het afdekken van bedrijfsrisico’s bij dierziekten - verantwoordelijkheid nemen voor de agrarische sector?

9. Water benutten als ontwerpende kracht

Water wordt de ontwerpende kracht in het landelijk gebied. Het is lange tijd beheerst met molens, gemalen en dijken die steeds hoger, harder en rechter werden. Die technologie maakte een ontkoppeling mogelijk van omgeving en grondgebruik. Ook in natte gebieden kon landbouw worden beoefend, ook bij de rivier kon worden gewoond.De steeds toenemende intensiteit van het (economisch) landgebruik leidt tot nog hogere eisen aan het waterbeheer. Nu de waterproblematiek toeneemt door klimaatverandering, bodemdaling, veenafbraak en versnelde waterafvoer, komen de grenzen van de technische oplossingen echter in zicht. Meer en meer worden deze oplossingen gecombineerd met aanpassingen in ruimtelijke ordening, vanuit de gedachte 'functie volgt peil'. Water wordt veel meer bepalend voor de inrichting van Nederland. Deze omslag botst met de heersende, in eeuwen gevormde mentaliteit en met bestaande vormen van ruimtegebruik. Vernatting van polders, vermindering van grondwateronttrekking, aanleg van waterbergingsgebieden en aanpassing van de kustverdediging hebben ingrijpende gevolgen voor de bewoners van het landelijk gebied. Steeds zijn technische oplossingen op de achtergrond aanwezig, als verleidelijke optie om functieverandering te voorkomen.
Discussies bij dit thema gaan over de (h)erkenning van het probleem, over het verbinden van de wateropgave met lokale plannen, de afweging tussen regionale en lokale belangen, de vormgeving en het beheer van functies onder het nieuwe waterregime. Op de achtergrond speelt steeds het spanningsveld tussen publieke en private belangen een rol.
Voor de raad is uitgangspunt dat de wateropgave in het landelijk gebied wordt verbonden met andere opgaven, en niet leidt tot eenzijdig ruimtegebruik.

10. Bij wonen en werken verstandig met ruimte omgaan

Bouw van woningen en bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied is nodig vanwege de behoefte aan wonen en werken én het belang van ruimte voor groen in de steden. Ook in kleine kernen moet bouwen mogelijk zijn, onder andere om draagvlak te behouden voor voorzieningen. Ruimte moet in de eerste plaats worden gevonden door saneren en herstructureren van verouderde werk- en woongebieden en door multifunctioneel ruimtegebruik. Pas als de mogelijkheden daartoe zijn uitgeput, kan er worden gebouwd ten koste van andere vormen van grondgebruik. De ruimte in het landelijk gebied is begrensd, dus moeilijke keuzen zijn nodig. Bij ruimtelijke concurrentie wint bouwen in de regel van landbouw, natuur en landschap. Deze verdringing wordt in de hand gewerkt door de teruglopende economische betekenis van de grondgebonden landbouw. Bouwen leidt veelal tot verlies aan waarden. Compenseren voor het verlies aan landschappelijke en natuurwaarden leidt in de praktijk al snel tot tegenvallende resultaten. Toch is de markt onmisbaar om tot kwaliteit te komen. Om tot kwaliteit te komen, zal in de eerste plaats economische marktkracht moeten worden benut. Heldere ambities en solide, harde privaatrechtelijke contracten zijn daarbij de enige garantie voor een goede uitkomst.
Discussies bij dit thema gaan over de inpassing van bouwlocaties op lokaal tot nationaal schaalniveau, de gevolgen daarvan voor landschappelijke kwaliteit en de manier waarop de benodigde kwaliteit kan worden afgedwongen. Discussie wordt ook gevoerd over de keuze tussen saneren/herstructureren en nieuwbouw, en over de meerwaarde van bouwen in het landelijk gebied voor het landelijk gebied zelf, bijvoorbeeld in de vorm van 'rood voor groen'.
Voor de raad is het benutten van bestaande bebouwing door saneren uitgangspunt, en niet de makkelijke weg van bouwen in het groen.

11. De burger het voortouw geven

Bewoners en gebruikers van het landelijk gebied dragen in principe zelf zorg voor een goede mix van behoud en ontwikkeling. Uitgangspunt is dat de maatschappij de risico’s bij het realiseren van publieke belangen zelf opvangt zonder meteen een beroep te doen op de overheid. De overheid moet dit vermogen tot veerkracht stimuleren. Maatschappelijke organisaties zijn de aangewezen instanties om partijen te mobiliseren en tot participatie en samenwerking te brengen. Nu in het landelijk gebied nieuwe belangen groeien, zoals die van 'de buitenlui', zijn daarbij ook nieuwe collectiviteiten nodig. Maatschappelijke sturing heeft dus de voorkeur: de overheid moet de verantwoordelijkheid voor het veiligstellen van publieke belangen in eerste instantie aan de civil society laten. De overheid is echter ook gehouden die publieke belangen te borgen. Als er spanning ontstaat tussen private en publieke belangen, kan er een situatie optreden waarin overheidssturing, bijvoorbeeld door wetgeving, nodig is.
Discussies bij dit thema gaan over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen burger en overheid, de participatie van de burger en de manier waarop samenwerking tussen burger en overheid kan worden georganiseerd zonder publieke belangen in gevaar te brengen.
Voor de raad is uitgangspunt dat de overheid waar mogelijk de burger verantwoordelijkheid geeft voor publieke belangen met betrekking tot het landelijk gebied, en niet in zijn plaats treedt.

12. Ruimte geven waar dat mogelijk is en ingrijpen waar dat nodig is

De overheid borgt publieke belangen en staat garant voor het realiseren van maatschappelijke doelen. In de praktijk wordt deze bestuursfilosofie echter niet altijd waargemaakt. Overheden op alle niveaus richten zich sterk op het scheppen van condities die anderen in staat stellen doelen te realiseren. Maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven worden daartoe versterkt, vaak op punten waar ze al sterk in zijn. Ook worden veel verantwoordelijkheden gelegd bij decentrale overheden. De overheid hoort echter ook oog te hebben voor het hieraan verbonden risico dat sectorale en lokale belangen de overhand krijgen. Wanneer een dergelijke situatie dreigt, moet de overheid bestuurlijke moed durven tonen door in te grijpen en het publieke belang veilig te stellen, ook ten koste van de belangen van andere partijen. De overheid moet dan haar meerwaarde bewijzen door doelen voor te schrijven, zo nodig als 'ondernemende overheid' zelf aan die doelen te werken en ervoor te zorgen dat de aan die doelen verbonden resultaten metterdaad worden 'geleverd'. Het gaat daarbij om anticiperen en voorkómen - niet om reageren en herstellen. Op dit punt schiet de overheid nog te vaak tekort. Sturen en loslaten zijn niet in balans. Over sturen - en zeker over centrale sturing - hangt een taboe waardoor de borgende rol van de overheid onvoldoende uit de verf komt. Het 'decentraal wat kan' is op krachtige wijze inhoud gegeven maar het 'centraal wat moet' niet.
Discussies bij dit thema gaan over de legitimiteit van directe overheidsbemoeienis, de doorzettingsmacht van de overheid en de mate waarin andere partijen belemmerd mogen worden in hun activiteiten en de regeldichtheid.
Voor de raad is uitgangspunt dat de overheid ruimte geeft aan de samenleving maar ook zo nodig haar verantwoordelijkheid voor het landelijk gebied waarmaakt door krachtige sturing.

13. Handelen vanuit Europese context

Europese ontwikkelingen bepalen in sterke mate de toekomst van het landelijk gebied. Bij onze oordeelsvorming over het landelijk gebied zijn Nederlandse belangen richtsnoer, maar speelt de Europese en mondiale context altijd mee. Daarnaast is 'Europa' ook een overheid, met belangrijke invloed op de door Nederland te maken keuzen. Nederlandse belangen en verantwoordelijkheden zijn op nationale, maar ook op bovennationale schaal te realiseren. De internationale context is complex, en de afwegingen zijn dat evenzeer. In het landbouwbeleid gaat het bijvoorbeeld om afwegingen tussen het economisch belang van de landbouw in Nederland en het stimuleren van concurrerende landbouw in andere Europese landen. In het natuurbeleid moet in een niet minder complex krachtenveld worden gekozen tussen beschermen van flora en fauna op eigen bodem en vertrouwen op bescherming in gebieden buiten Nederland. De complexiteit wordt nog verhoogd door de diversiteit van de afwegingen. Het gaat bijvoorbeeld om de efficiëntie van beleid, de wenselijkheid van zelfbinding via Europese afspraken en de mogelijkheden om zulke afspraken te handhaven, maar ook om het streven naar gelijke economische kansen en het vasthouden van eigen sociale en culturele verworvenheden.
Discussies bij dit thema gaan over het realiseren van nationale belangen in de Europese context, het belang en de rol van de Europese Unie en de afstemming tussen nationale en Europese regelgeving.
Voor de raad is uitgangspunt dat ontwikkelingen in het landelijk gebied worden beoordeeld in hun Europese context.

Naar boven