![]() |
||
Kansen voor een krimpend plattelandAdvies over de gevolgen van bevolkingsdaling voor het platteland |
![]() |
|
|
inhoudsopgave
|
4. Het standpunt van de Raad voor het Landelijk Gebied Anticiperend en aanvullend op het Actieplan Bevolkingsdaling, waarbij
ook het ministerie van LNV actief betrokken is, kijkt de RLG in dit advies
vooral naar de gevolgen van de demografische omslag (krimp, vergrijzing,
ontgroening) voor het (dunbevolkte) landelijk gebied. Structurele
bevolkingsdaling (en daling van het aantal huishoudens), in samenhang In het totaal-beleid zal ook het internationale perspectief betrokken moeten worden. We citeren de Duitse bondspresident Horst Köhler, voorzitter van het Forum Demografischer Wandel: “Ohne Berücksichtigung der demographischen Entwicklung ist künftig kein Staat mehr zu machen. Wer heutzutage noch plant, ohne die entsprechenden Prognosen heranzuziehen, handelt unverantwortlich.“ De raad ziet de volgende opgaven voor het platteland: 1. Bewustwording en anticipatieKrimp heeft een negatieve bijklank. Dat leidt gemakkelijk tot ontkenning bij bestuurders. Die houding is echter niet houdbaar. Plattelandsgemeenten moeten de demografische omslag (tijdig) onderkennen. Vervolgens moet de visie op de toekomst daarop herijkt worden en het beleid daarop aangepast. Het is zaak om in een totaal-aanpak ook de kansen van demografische krimp voor een duurzamer platteland definiëren. Minder mensen kán betekenen dat er minder ruimte nodig is voor rode functies, mobiliteit, milieu etc. Omdat daarbij ook altijd andere factoren meespelen (bijvoorbeeld ons consumptiegedrag) zijn dergelijke kansen pas te benutten als de overheid en maatschappelijke partners daarop actief sturen. 2. De transformatieopgaveHet aanbod (van o.a. woningen en voorzieningen) moet aangepast worden aan het verminderend aantal burgers en de verschuiving in leeftijdscategorieën (ontgroening en vergrijzing). Er is sprake van een kwalitatieve productieopgave (aanpassing van het aanbod) naast een kwantitatieve reductieopgave (verminderen van het aanbod). Dat aanpassingsproces kent een lange looptijd omdat bevolkingsdaling structureel is. Het beleid zal zich dus steeds moeten aanpassen aan de dalende bevolkingscijfers. De (publieke) financieringssystemen zijn daar nog nauwelijks op ingericht. De transformatieopgave is bovendien lastiger naarmate de krimp sneller gaat of als we te laat op de krimp reageren. 3. Het verdelingsvraagstukIn de komende decennia kennen we krimpende 4. De samenwerkingsopgaveKrimp vraagt om meer regie dan groei. Omdat de markt die opgave minder oppakt is een krachtige overheidsrol nodig. Als het aantal inwoners daalt, daalt het draagvlak voor voorzieningen. Voorzieningen zijn alleen in stand te houden als ze op een hoger schaalniveau georganiseerd worden. Krimp vraagt dus om herschikking van schaalniveaus en vraagt mede daarom om een bovenlokale aanpak. Daarbij is essentieel dat de burger betrokken wordt bij en aangesproken wordt op het inspelen op de demografische omslag. Vanuit deze vier opgaven formuleert de raad een aantal aanbevelingen.
|
|