NieuwsbriefZoeken
De RaadActueelAdviezen en publicatiesAdviezen in voorbereidingPersLinks  
AdviezenJaarverslagDiverse publicatiesLezingenBestellen  

Energie van eigen bodem

Advies over regionale kansen voor biomassa

Logo RLGReageer op dit advies

inhoudsopgave


reactie ministerie


reacties


persbericht


bestel advies


download advies


adviezen 2008

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. Perspectieven voor het landelijk gebied in Nederland

4.4 Kritische factoren

Algemene factoren


Er is een aantal algemene kritische factoren voor de ontwikkeling van biomassa als energiebron, die onder meer de oppervlakten energieteelt in Nederland en Europa en de handelsstromen in grondstoffen voor voedsel, diervoeder en biomassa voor energietoepassingen, inclusief reststromen bepalen. Deze algemene factoren zijn:
• de ontwikkeling van de olieprijs en in het kielzog alle grondstoffenprijzen;
• de agrarische productiviteitsontwikkeling (opbrengstverhoging per ha, efficiëntie en verbetering van gewassen, milieuprestaties);
• de beschikbaarheid van gronden (natuurontwikkeling, waterberging, woningbouw);
• de ontwikkeling van tweede generatietechnologie voor biobrandstoffen;
• Europees beleid voor biobrandstoffen en duurzame energie.

Politieke en maatschappelijke steun


Ook politieke en maatschappelijke steun is een kritische factor van belang. De raad stelt vast dat de vraag naar kansen en bedreigingen van energietoepassingen uit biomassa in feite een transitievraagstuk is. Het betreft een ingrijpend en langdurig proces. Private initiatieven zijn onontbeerlijk voor de ontwikkeling van energietoepassingen uit biomassa. Politieke en maatschappelijke steun voor dergelijke initiatieven kan niet gemist worden. In het huidige stadium van de transitie kunnen inschattingen onjuist blijken te zijn, marktkansen kunnen tegenvallen en projecten kunnen mislukken met kapitaalvernietiging tot gevolg. Een en ander kan verlammend werken voor partijen die biomassa initiatieven op regionale schaal mogelijk moeten maken. Bij biomassa wordt nogal eens een spanning gevoeld tussen 'grote woorden en kleine daden' van politici en bestuurders. Het vinden van alternatieven voor fossiele grondstoffen wordt in woorden ambitieus nagestreefd maar op het moment dat er risico's moeten worden genomen of een prijs betaald zoals landschappelijke veranderingen of het risico van onwenselijke duurzaamheideffecten, dan is er een neiging om het risico maar niet te nemen waardoor daadwerkelijke initiatieven niet of slechts zeer moeizaam van de grond komen. Dit roept de vraag op of de 'ronkende woorden' van politici en bestuurders samengaan met een breed gevoelde 'sense of urgency' om doelen te halen. Zwart-wit denken en polarisatie in het maatschappelijke debat over biobrandstoffen op basis van oordelen over grootschalige monoculturen in landen als Brazilië, Indonesië en Maleisië heeft hierbij onmiskenbaar zijn weerslag. Ook heeft het mogelijk te maken met de Nederlandse praktijk waarbij de wens is om een klassiek beeld van het landschap te behouden of het bestaande landschap te conserveren heel sterk is.

Vereniging 10 voor Texel

Met succes heeft de Vereniging 10 voor Texel zich bijvoorbeeld samen met anderen tot bij de Raad van State verzet tegen de komst van een biomassavergistingsinstallatie bij Oosterend. De komst van deze biomassavergistingsinstallatie, bestaande uit vijf silo's en een enorme loods van 1800 m2, zou een flinke toename van verkeers-, geluids- en stankhinder betekenen en het prachtige gebied 'het Oude land van Texel' ontsieren. De vraag waar het om draaide, was of het vergisten van biomassa een 'agrarische activiteit' is. De Raad van State oordeelde in deze zaak dat het vergisten van biomassa niet kan worden beschouwd als een 'agrarische activiteit'. Met de beoogde biomassavergistinginstallatie zou onder andere elektriciteit worden opgewekt en wel van een zodanige betekenis dat van 'agrarische activiteit' geen sprake kon zijn. Van de opgewekte elektriciteit zou namelijk 97 procent doorverkocht worden aan derden. De biomassavergistingsinstallatie zou ongeveer 50 procent van de totale inkomsten van het bedrijf genereren. De bouw van de biomassavergistingsinstallatie kon derhalve geen doorgang vinden, tot vreugde van 10 voor Texel, buurtbewoners en anderen.1

De minister van VROM stelt naar aanleiding van kamervragen over bovenstaande kwestie dat uit deze uitspraak niet in het algemeen de conclusie getrokken kan worden dat de Raad van State tegen mestvergisters op boerenerven is of van mening is dat mestvergisten niet als agrarische activiteit beschouwd zou kunnen worden. Er is geen sprake van een generieke wettelijke bepaling die aangeeft of vergisten van biomassa wel of niet onder het begrip agrarische activiteit valt. Of vergisten van biomassa als agrarische (neven)activiteit beschouwd kan worden hangt af van de bepalingen die in het betreffende bestemmingsplan zijn opgenomen. Een gemeenteraad kan ervoor kiezen om in het bestemmingsplan agrarische activiteiten in globale, ruimte termen te omschrijven en te koppelen aan de omvang van het bouwblok. Ook kan ze ervoor kiezen om nadrukkelijk op te nemen dat onder de agrarische bestemming ook co-vergistingsinstallaties vallen. Een andere mogelijkheid is dat een college van burgemeester en wethouders een vrijstelling verleent van het bestemmingsplan en aldus in afwijking van het bestemmingsplan op een agrarisch perceel een co-vergistingsinstallatie toestaat. Indien een goede ruimtelijke onderbouwing mogelijk is voor een bouwvergunning en de bijbehorende afwijking van het bestemmingsplan, dan is er in principe geen probleem.2 Desalniettemin zijn veel gemeenten mede als gevolg van bovengenoemde uitspraak van de Raad van State extra omzichtig geworden in de vergunningverlening.3

Innovatieklimaat


Een andere kritische factor van belang is een gunstig innovatieklimaat. De raad constateert dat op vele plekken gewerkt wordt aan perspectiefrijke concepten en projecten, zowel grootschalig als kleinschalig. Vaak is energie slechts één van de eindproducten. Dat is het geval bij initiatieven gericht op multifunctioneel landgebruik, zoals de combinatie van waterzuivering of wateropslag met productie van aquatische biomassa of gebruik van natuurgras voor energie. Ook bij bioraffinage, het scheiden van biomassa in verschillende componenten die afzonderlijk zijn in te zetten, is energie slechts één van de eindproducten. De ontwikkeling en implementatie van bioraffinage projecten biedt kansen voor een efficiënte inzet van biomassa voor energie en voor andere doeleinden. Cruciaal voor de verdere ontwikkeling van dergelijke initiatieven is een gunstig innovatieklimaat.

Kritische factoren voor co-vergisting en -vergassing van mest


Kritische factoren voor co-vergisting en -vergassing van mest hebben betrekking op de prestaties van de installatie, de keuze van het co-substraat en de afzetmogelijkheden van elektriciteit, groen gas, warmte en digestaat.

Voor de prestaties van (co-)vergisters worden als sleutelfactoren genoemd de mengverhouding tussen mest en co-substraat, lekverliezen bij de opslag van de grondstoffen en in de vergister, benutting van warmte (benutting en rendement van de warmte kracht koppeling) en het energiegebruik van de reactor zelf.4

Ook de keuze voor het co-substraat is van invloed op de prestaties van de co-vergister of -vergasser. Zowel de reductie van de uitstoot van broeikasgassen als de energie efficiëntie kan verbeteren afhankelijk van de keuze voor het co-substraat. Energetisch gezien is het vergisten van snijmaïs (veel) interessanter dan het vergisten van mest. Maïs levert per ton negen keer zoveel energie als mest.5 De vergisting van mest geeft echter een (veel) grotere reductie van broeikasgassen (gemeten in CO2 equivalenten) dan de vergisting van maïs. De inzet van reststromen met een hoge biogasopbrengst in plaats van maïs als co-substraat kan de reductie van broeikasgassen verhogen. Zo wordt glycerine, een bijproduct van ethanolproductie, genoemd als geschikt co-substraat omdat het een hoge biogasopbrengst geeft.6

De technische en logistieke mogelijkheden om elektriciteit, warmte en/of groen gas afkomstig van mestvergisters en -vergassers af te zetten vormen een factor van belang, zoals de technische mogelijkheid om biogas op te werken tot aardgaskwaliteit en in het aardgasnet te injecteren. In de praktijk levert dit soms problemen op. Zo blijkt dat slechts een derde van kleine Drentse bedrijven die groene stroom opwekken, dat op korte termijn kwijt kan op het elektriciteitsnet van TenneT, namelijk 11 van de 35 kleinschalige energieopwekkers, zoals boeren. Capaciteitsgrenzen en lopende afspraken met bestaande energieleveranciers spelen daarbij een rol. De provincie Drenthe blijkt bereid om een hoogspanningskabel door het Reestdal in stand te houden om de capaciteit van het net te vergroten, maar dan moet iedere producent de groene stroom wel kwijt kunnen.

Het gecombineerd gebruiken van warmte en elektriciteit zou de mogelijkheden van co-vergisting en - vergassing van mest vergroten. Hierbij is bijvoorbeeld het verplaatsen van biogas naar locaties waar de warmte nodig is een mogelijkheid voor decentrale centrales zoals boerderijen. Essent heeft al een biogasleiding van 5,5 km van een boerderij naar een nieuwbouwwijk in Leeuwarden liggen. In Zeewolde is sprake van een vergelijkbaar initiatief.

De prijzen die voor de groene stroom, gas en warmte kunnen worden verkregen zijn eveneens van belang voor de mogelijkheden. De prijs die kan worden verkregen voor groen gas afkomstig van co-vergisting of -vergassing van mest is bijvoorbeeld in de markt van grootverbruikers van gas relatief laag.7 Bij de mogelijkheid van directe levering aan een kleinverbruiker zou mogelijk een hogere prijs kunnen worden verkregen. Ook subsidieregelingen zoals die voor duurzame energieproductie (SDE) zijn medebepalend voor de rentabiliteit van co-vergisting en -vergassing.

De Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) voorziet in een financiële ondersteuning van 12 eurocent per KWh voor co-vergisting. Veel betrokkenen hebben de afgelopen tijd aangegeven dat dit niet voldoende is om kleinere installaties rendabel te maken. De minister van Economische Zaken heeft er voor gekozen het bedrag niet te verhogen, ondanks een aangenomen Kamermotie die daar om vroeg. De minister geeft aan dat er ook voor kleinere installaties aanvragen zijn binnengekomen voor het geldende bedrag van 12 eurocent. Gezien het belang van krachtige stimulering van (ook kleinschalige) co-vergisting dringt de raad er op aan de komende periode de vinger aan de pols te houden en er op toe te zien dat deze kleinschalige installaties ook daadwerkelijk van de grond komen.

Tenslotte spelen de afzetmogelijkheden van het digestaat, een restproduct van co-vergisting een rol. Dit digestaat kan als meststof worden benut. Een vergroting van de toepassingsmogelijkheden zou de afzet kunnen verbeteren. De afzet van digestaat buiten het eigen bedrijf brengt op dit moment in mestoverschotgebieden hoge kosten met zich mee, mede omdat dit volledig wordt aangemerkt als dierlijke mest. Het plantaardige deel van het digestaat mag wel worden aangemerkt als organische in plaats van dierlijke mest, echter alleen bij bemesting van het eigen land. Akkerbouwers met eigen land die een deel van het digestaat buiten het eigen bedrijf moeten afzetten zullen er daardoor naar neigen om relatief minder dierlijke mest en meer snijmaïs in de vergister toe te passen, tot een verhouding van mest/maïs van 25/75, waarbij er geen digestaat buiten het eigen bedrijf hoeft te worden afgezet. Hiermee worden de klimaat- en energieprestaties van de installatie niet geoptimaliseerd. De mogelijkheid om mineralen uit het digestaat als kunstmest aan te merken zou bijvoorbeeld een verhoging van het aandeel mest aantrekkelijker maken waardoor meer CO2 winst kan worden behaald. Bovendien zou dit de afzet van digestaat goedkoper kunnen maken en co-vergisting eerder rendabel. Ook zijn er positieve effecten op de bodemkwaliteit mogelijk.8 Andere mogelijkheden betreffen de omwerking van het digestaat tot korrels die in elektriciteitscentrales kunnen worden benut of de export van de korrels als meststof.9

Kritische factoren voor energieteelt


Energiegewassen kunnen worden ingezet voor de productie van elektriciteit, warmte of groen gas, dan wel voor biobrandstoffen. In hoeverre het areaal energiegewassen in Nederland verder zal toenemen als gevolg van een toenemende vraag ten behoeve van vergistings- of vergassingsinstallaties is moeilijk te zeggen maar kan in potentie aanzienlijk zijn. Het technisch maximaal potentieel van koolzaadareaal in Nederland wordt geschat tussen de 53.000 en 70.500 hectare.10 Een stijging van het areaal is alleen mogelijk wanneer de prijsvorming gunstig zal zijn. Dat kan het geval zijn wanneer er betere afzetmogelijkheden van koolzaadstro ontstaan en bij accijnsvrijstellingen mits deze worden doorberekend aan de telers. Ook aandeelhouderschap van een oliemolen of daling van kosten kunnen de teelt aantrekkelijker maken. Tevens is de prijsvorming van andere agrarische producten van belang (relatieve prijzen). Schattingen voor het toekomstige koolzaadareaal in Nederland variëren van maximaal 5.000 hectare11 tot maximaal 'enkele tienduizenden' hectares.12

Kritische factoren voor reststromen


Reststromen zijn afkomstig uit de natuur, de agrosector of de voedings- en genotmiddelenindustrie. Zij kunnen worden ingezet voor de opwekking van energie (warmte en elektriciteit of groen gas) of voor de productie van biobrandstoffen.

In potentie is er uit de natuur niet alleen hout maar ook gras, riet en heide beschikbaar voor de opwekking van energie. Dit wordt echter in de praktijk nog nauwelijks gebruikt. Factoren die hierbij van belang zijn betreffen een ontbrekende marktvraag en technische mogelijkheden. Bovendien is de kwaliteit wisselend en komt de biomassa zeer verspreid vrij, wat logistieke problemen oplevert. Er zijn tenslotte wettelijke beperkingen om natuurgras in co-vergistingsinstallaties te gebruiken. In potentie kan biomassa uit de natuur een bijdrage leveren van ca. 0,8 miljoen ton droge stof biomassa, zonder daarbij de hoofdfunctie van de natuur te schaden. Het betreft voornamelijk hout en gras echter afhankelijk van de afzetmogelijkheden en -prijzen voor de verschillende toepassingen.13 Het gebruik van reststromen uit de agrosector en de voedings- en genotmiddelenindustrie voor de opwekking van energie heeft geen direct effect op het landelijk gebied maar wel een indirect effect. Hiermee kunnen bijvoorbeeld de prestaties van co-vergistingsinstallaties (CO2 reductie en energie efficiëntie) worden verbeterd. Factoren die een rol kunnen spelen zijn technologische en wettelijke mogelijkheden.

De technologie om primaire reststromen uit de landbouw en de natuur om te zetten in biobrandstoffen ('tweede generatie technologie') is nog niet voor de praktijk beschikbaar. Ook logistiek is het lastig deze reststromen te verzamelen voor de productie van biobrandstoffen. Secundaire en tertiaire reststromen uit de agroketen komen eerder dan primaire reststromen in aanmerking voor de productie van biobrandstoffen, zowel qua logistiek als qua beschikbare technologie. In hoeverre daadwerkelijke inzet voor biobrandstoffen zal plaatsvinden hangt onder meer af van de marktontwikkelingen voor veevoer maar ook van de technologieontwikkeling ('tweede generatie technologie') waarmee een grotere hoeveelheid brandstoffen dan met de huidige eerste generatie technologie uit de biomassa kan worden geproduceerd.14

1) Uitspraak van 22/08/2007, LJN BB2167
2) Antwoord van het ministerie van VROM (BWL/2007092879), 13 september 2007. In 2005 heeft het ministerie van VROM een handreiking opgesteld met daarin een advies (aan gemeenten) hoe in de ruimtelijke ordening omgegaan zou kunnen worden met vergistingsinstallaties. De handreiking geeft daarvoor werkbare omschrijvingen voor bestemmingsplannen (kamerstukken II, 2004-2005, 28385, nr. 46).
3) Bericht 'Bouw mestvergisters stokt', Boerderij 93-no. 34, 20 mei 2008
4) Zwart e.a., 2006
5) Op basis van Zwart e.a., 2006
6) Hoeksma e.a., 2008
7) Hoeksma e.a., 2008
8) Technische Commissie Bodemkwaliteit, 2007
9) Hoeksma e.a., 2008
10) Janssens e.a., 2005
11) Janssens e.a., 2005
12) Annevelink e.a., 2006
13) Spijker e.a., 2007 (Alterra)
14) Tot wel 40 of 50 procent meer volgens Annevelink e.a., 2006

Naar boven