![]() |
||
Energie van eigen bodemAdvies over regionale kansen voor biomassa |
![]() |
|
|
inhoudsopgave
|
4. Perspectieven voor het landelijk gebied in Nederland4.4 Kritische factorenAlgemene factoren Politieke en maatschappelijke steun
De minister van VROM stelt naar aanleiding van kamervragen over bovenstaande kwestie dat uit deze uitspraak niet in het algemeen de conclusie getrokken kan worden dat de Raad van State tegen mestvergisters op boerenerven is of van mening is dat mestvergisten niet als agrarische activiteit beschouwd zou kunnen worden. Er is geen sprake van een generieke wettelijke bepaling die aangeeft of vergisten van biomassa wel of niet onder het begrip agrarische activiteit valt. Of vergisten van biomassa als agrarische (neven)activiteit beschouwd kan worden hangt af van de bepalingen die in het betreffende bestemmingsplan zijn opgenomen. Een gemeenteraad kan ervoor kiezen om in het bestemmingsplan agrarische activiteiten in globale, ruimte termen te omschrijven en te koppelen aan de omvang van het bouwblok. Ook kan ze ervoor kiezen om nadrukkelijk op te nemen dat onder de agrarische bestemming ook co-vergistingsinstallaties vallen. Een andere mogelijkheid is dat een college van burgemeester en wethouders een vrijstelling verleent van het bestemmingsplan en aldus in afwijking van het bestemmingsplan op een agrarisch perceel een co-vergistingsinstallatie toestaat. Indien een goede ruimtelijke onderbouwing mogelijk is voor een bouwvergunning en de bijbehorende afwijking van het bestemmingsplan, dan is er in principe geen probleem.2 Desalniettemin zijn veel gemeenten mede als gevolg van bovengenoemde uitspraak van de Raad van State extra omzichtig geworden in de vergunningverlening.3 Innovatieklimaat
Kritische factoren voor co-vergisting en -vergassing van mest
Voor de prestaties van (co-)vergisters worden als sleutelfactoren genoemd de mengverhouding tussen mest en co-substraat, lekverliezen bij de opslag van de grondstoffen en in de vergister, benutting van warmte (benutting en rendement van de warmte kracht koppeling) en het energiegebruik van de reactor zelf.4 Ook de keuze voor het co-substraat is van invloed op de prestaties van de co-vergister of -vergasser. Zowel de reductie van de uitstoot van broeikasgassen als de energie efficiëntie kan verbeteren afhankelijk van de keuze voor het co-substraat. Energetisch gezien is het vergisten van snijmaïs (veel) interessanter dan het vergisten van mest. Maïs levert per ton negen keer zoveel energie als mest.5 De vergisting van mest geeft echter een (veel) grotere reductie van broeikasgassen (gemeten in CO2 equivalenten) dan de vergisting van maïs. De inzet van reststromen met een hoge biogasopbrengst in plaats van maïs als co-substraat kan de reductie van broeikasgassen verhogen. Zo wordt glycerine, een bijproduct van ethanolproductie, genoemd als geschikt co-substraat omdat het een hoge biogasopbrengst geeft.6 De technische en logistieke mogelijkheden om elektriciteit, warmte en/of groen gas afkomstig van mestvergisters en -vergassers af te zetten vormen een factor van belang, zoals de technische mogelijkheid om biogas op te werken tot aardgaskwaliteit en in het aardgasnet te injecteren. In de praktijk levert dit soms problemen op. Zo blijkt dat slechts een derde van kleine Drentse bedrijven die groene stroom opwekken, dat op korte termijn kwijt kan op het elektriciteitsnet van TenneT, namelijk 11 van de 35 kleinschalige energieopwekkers, zoals boeren. Capaciteitsgrenzen en lopende afspraken met bestaande energieleveranciers spelen daarbij een rol. De provincie Drenthe blijkt bereid om een hoogspanningskabel door het Reestdal in stand te houden om de capaciteit van het net te vergroten, maar dan moet iedere producent de groene stroom wel kwijt kunnen. Het gecombineerd gebruiken van warmte en elektriciteit zou de mogelijkheden van co-vergisting en - vergassing van mest vergroten. Hierbij is bijvoorbeeld het verplaatsen van biogas naar locaties waar de warmte nodig is een mogelijkheid voor decentrale centrales zoals boerderijen. Essent heeft al een biogasleiding van 5,5 km van een boerderij naar een nieuwbouwwijk in Leeuwarden liggen. In Zeewolde is sprake van een vergelijkbaar initiatief. De prijzen die voor de groene stroom, gas en warmte kunnen worden verkregen zijn eveneens van belang voor de mogelijkheden. De prijs die kan worden verkregen voor groen gas afkomstig van co-vergisting of -vergassing van mest is bijvoorbeeld in de markt van grootverbruikers van gas relatief laag.7 Bij de mogelijkheid van directe levering aan een kleinverbruiker zou mogelijk een hogere prijs kunnen worden verkregen. Ook subsidieregelingen zoals die voor duurzame energieproductie (SDE) zijn medebepalend voor de rentabiliteit van co-vergisting en -vergassing. De Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) voorziet in een financiële ondersteuning van 12 eurocent per KWh voor co-vergisting. Veel betrokkenen hebben de afgelopen tijd aangegeven dat dit niet voldoende is om kleinere installaties rendabel te maken. De minister van Economische Zaken heeft er voor gekozen het bedrag niet te verhogen, ondanks een aangenomen Kamermotie die daar om vroeg. De minister geeft aan dat er ook voor kleinere installaties aanvragen zijn binnengekomen voor het geldende bedrag van 12 eurocent. Gezien het belang van krachtige stimulering van (ook kleinschalige) co-vergisting dringt de raad er op aan de komende periode de vinger aan de pols te houden en er op toe te zien dat deze kleinschalige installaties ook daadwerkelijk van de grond komen. Tenslotte spelen de afzetmogelijkheden van het digestaat, een restproduct van co-vergisting een rol. Dit digestaat kan als meststof worden benut. Een vergroting van de toepassingsmogelijkheden zou de afzet kunnen verbeteren. De afzet van digestaat buiten het eigen bedrijf brengt op dit moment in mestoverschotgebieden hoge kosten met zich mee, mede omdat dit volledig wordt aangemerkt als dierlijke mest. Het plantaardige deel van het digestaat mag wel worden aangemerkt als organische in plaats van dierlijke mest, echter alleen bij bemesting van het eigen land. Akkerbouwers met eigen land die een deel van het digestaat buiten het eigen bedrijf moeten afzetten zullen er daardoor naar neigen om relatief minder dierlijke mest en meer snijmaïs in de vergister toe te passen, tot een verhouding van mest/maïs van 25/75, waarbij er geen digestaat buiten het eigen bedrijf hoeft te worden afgezet. Hiermee worden de klimaat- en energieprestaties van de installatie niet geoptimaliseerd. De mogelijkheid om mineralen uit het digestaat als kunstmest aan te merken zou bijvoorbeeld een verhoging van het aandeel mest aantrekkelijker maken waardoor meer CO2 winst kan worden behaald. Bovendien zou dit de afzet van digestaat goedkoper kunnen maken en co-vergisting eerder rendabel. Ook zijn er positieve effecten op de bodemkwaliteit mogelijk.8 Andere mogelijkheden betreffen de omwerking van het digestaat tot korrels die in elektriciteitscentrales kunnen worden benut of de export van de korrels als meststof.9 Kritische factoren voor energieteelt Kritische factoren voor reststromen
In potentie is er uit de natuur niet alleen hout maar ook gras, riet en heide beschikbaar voor de opwekking van energie. Dit wordt echter in de praktijk nog nauwelijks gebruikt. Factoren die hierbij van belang zijn betreffen een ontbrekende marktvraag en technische mogelijkheden. Bovendien is de kwaliteit wisselend en komt de biomassa zeer verspreid vrij, wat logistieke problemen oplevert. Er zijn tenslotte wettelijke beperkingen om natuurgras in co-vergistingsinstallaties te gebruiken. In potentie kan biomassa uit de natuur een bijdrage leveren van ca. 0,8 miljoen ton droge stof biomassa, zonder daarbij de hoofdfunctie van de natuur te schaden. Het betreft voornamelijk hout en gras echter afhankelijk van de afzetmogelijkheden en -prijzen voor de verschillende toepassingen.13 Het gebruik van reststromen uit de agrosector en de voedings- en genotmiddelenindustrie voor de opwekking van energie heeft geen direct effect op het landelijk gebied maar wel een indirect effect. Hiermee kunnen bijvoorbeeld de prestaties van co-vergistingsinstallaties (CO2 reductie en energie efficiëntie) worden verbeterd. Factoren die een rol kunnen spelen zijn technologische en wettelijke mogelijkheden. De technologie om primaire reststromen uit de landbouw en de natuur om te zetten in biobrandstoffen ('tweede generatie technologie') is nog niet voor de praktijk beschikbaar. Ook logistiek is het lastig deze reststromen te verzamelen voor de productie van biobrandstoffen. Secundaire en tertiaire reststromen uit de agroketen komen eerder dan primaire reststromen in aanmerking voor de productie van biobrandstoffen, zowel qua logistiek als qua beschikbare technologie. In hoeverre daadwerkelijke inzet voor biobrandstoffen zal plaatsvinden hangt onder meer af van de marktontwikkelingen voor veevoer maar ook van de technologieontwikkeling ('tweede generatie technologie') waarmee een grotere hoeveelheid brandstoffen dan met de huidige eerste generatie technologie uit de biomassa kan worden geproduceerd.14 1) Uitspraak van 22/08/2007, LJN BB2167
|
|